Vaccineren

VACCINATIESUCCES

Vaccin, management en dier bepalen het vaccinatiesucces

Het doel van vaccineren is duidelijk: snelle immuniteitsopbouw en langdurige bescherming van uw dieren. Het succes hangt behalve van het vaccin dat u gebruikt, ook af van het diermanagement en de gezondheidsstatus van het gevaccineerde dier. Daarom kan eenzelfde vaccin op verschillende bedrijven of bij verschillende diergroepen een andere immuunreactie teweeg brengen. Hoe zit dat precies?

infographic vaccinatiesucces

Vaccin
Levend of dood vaccin
De immuniteitsopbouw verschilt tussen een vaccin op basis van verzwakt levend(e) virus/bacterie of do(o)de virus/bacterie. Levende vaccins bevatten een infectieuze ('levende') maar verzwakte ziekteverwekker (meestal een virus). Als dit verzwakte virus na inspuiten vermenigvuldigt, reageert het immuunsysteem hier heel sterk op. Het immuunsysteem bouwt vervolgens snel en langdurig immuniteit op1.

Dode vaccins bevatten afgedode virussen of bacteriën of deeltjes daarvan (antigen). Ten opzichte van een levend vaccin reageert het immuunsysteem hier minder sterk op. Om het lichaam toch te stimuleren voldoende immuniteit op te bouwen, zitten er hulpstoffen (adjuvans) in het vaccin. Met behulp van het type adjuvans wordt het immuunsysteem, afhankelijk van de ziekteverwekker, een bepaalde richting uit gestuurd. Ondanks het toegevoegde adjuvans is de immuunreactie nog altijd minder sterk en de immuniteit houdt minder lang aan dan bij een levend vaccin.

Dit doet een adjuvans
In dode vaccins speelt het adjuvans een belangrijke rol in de effectiviteit van een vaccin. Adjuvantia zijn stoffen die in het vaccin gemengd worden met antigenen om de reactie van het immuunsysteem te vergroten. Ieder dood vaccin heeft een eigen adjuvans2. In geval van tegenvallende vaccinatieresultaten kan het zijn dat een vaccin met een ander adjuvans (eventueel met dezelfde virus- of bacteriestam) voor uw dieren en op uw bedrijf beter werkt. Uw dierenarts kan u hierover adviseren.

Invloed van vaccinatieroute
De vaccinatieroute heeft altijd invloed op de werking van een vaccin en het adjuvans. De opbouw van immuniteit hangt daarom deels af van hóe het vaccin wordt toegediend: in het spierweefsel (intramusculair), onderhuids (subcutaan), via de neus (intranasaal) of in de huid (intradermaal). De juiste naaldlengte kiest u op basis van gewicht en leeftijd van het dier en de plaats waar het vaccin volgens bijsluiter ingeënt moet worden.
 

management
De opbouw van een passende immuniteit hangt ook af van het diermanagement.
Op het gebied van voeding spelen onder andere biestvoorziening en -kwaliteit een rol; denk aan de aan- of afwezigheid van voldoende en kwalitatief goede maternale afweerstoffen. Dat geldt ook voor de beschikbaarheid van voldoende schoon drinkwater. Ook huisvesting en stalklimaat kunnen een bron van stress zijn die de opbouw van een passende immuniteit in de weg staat. Denk daarbij zowel aan diercomfort (tocht, temperatuur, beschikbare ruimte per dier, ...) als aan (sociale) stress zoals bij het verplaatsen of samenvoegen van dier(groep)en.
 

management
De gezondheidsstatus van een varken heeft direct invloed op de immuunreactie na vaccinatie. Bij zieke dieren is het immuunsysteem druk met het bestrijden van de ziektekiem en zal doordoor vaak onvoldoende of in elk geval onvoorspelbaar reageren op vaccinatie. Ook de immuunstatus is van belang. Die houdt verband met ziektes en/of vaccinaties die het varken al heeft gehad en waardoor hij bepaalde afweerstoffen heeft opgebouwd. Sommige afweerstoffen kunnen de specifieke weerstandsopbouw die met een vaccinatie beoogd wordt belemmeren of in een bepaalde richting sturen.

Referenties

1. Nakamura, T., Ono, K., Suzuki, Y., Moriguchi, R., Kogure, K. Harashima, H., Octaarginine-modified liposomes enhance cross-presentation by promoting the C-terminal trimming of antigen peptide, Mol. Phar, 2014, 11(8):2787-95
2. Leroux-Roels, G., Unmet needs in modern vaccinology: adjuvants to improve the immune response, Vaccine, 2010, 28 Supplement 3:C25-C36